Maaslandse molens bewaken herinneringen aan de oude tijd

: 10 november 1955

: K-00928


Maaslandse molens bewaken herinneringen aan de oude tijd Weduwe de Bruin een halve eeuw in „De Concurrent" Aan de grote weg, die langs de Gaag naar Maasland voert, staan twee oude Hollandse molens. Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan sedert het bouwjaar van deze monumenten. Geïnteresseerd blijven vele vreemdelingen staan. De leek bewondert de vroegere bouwkunst en vraagt zich tegelijk af waarom de twee molens zo dicht bij elkaar staan. Als men deze overblijfsels uit de achttiende eeuw nauwkeuriger bekijkt, blijkt dat de molens niet alleen door bouwstijl, maar vooral door hun aard en bestemming van elkaar verschillen. De oude korenmolen van de heer Roels, met zijn dikke grijze muren, het rieten dakje en de grote wieken, wordt de laatste jaren als pakhuis gebruikt. Korenmolen werd fraai gerestaureerd Deze molen zag vele generaties oud worden. De tijd ging echter ook aan hem niet ongemerkt voorbij. De molen moest zijn werk aan de electrische maalderij afstaan. Hij kon de haast van de nieuwe tijd toch niet meer bijhouden en de nieuwe machines werkten volgens baas Roels beter en vlugger'. De molen verkeerde in een zeer vervallen toestand, Zodat de molenaar de opruiming van het bouwwerk overwoog. Monumentenzorg had echter medelijden met deze getuige van de goede oude tijd. De korenmolen werd door deskundige restauratie in zijn oude luister hersteld. Het woonhuis van de molenaar en ook de electrische maalderij passen best bij de romantische omgeving van de molens, Voor de molen staat echter ook nog een benzinepomp, welke wel zeer, nuttig en ook nodig kan zijn, maar die op deze plaats toch wel erg uit de toon valt. De „concurrent" De tweede molen lijkt op een oud-Hollands plaatje. De muren en het dak zijn met door regen en wind gebleekt riet bedekt. Enkele kleine witte raampjes zorgen voor wat licht in de molen. Rondom pronken grote rode geraniums in de ramen en het stukje muur dat de grote kap moeizaam schijnt te dragen is wit geschilderd. Een schoongeschrobd bakstenen pad voert van het groene hek naar de oude watermolen, Naast de lage, uit zware eiken balken gemaakte poort die de ingang is, pronken twee borden. Op het ene staat met sierlijke letters: „Molen van Mr Andries van Rijt 1718"; het andere vermeldt dat de eerste steen op 29 Augustus 1718 werd gelegd door een zekere J. v. H. Als men aanklopt wordt de deur door een oudere vriendelijke dame opengedaan! Zij is niet verwonderd en ook niet boos als men vraagt om een blik te mogen slaan in de oude molen. De reuzenbalken en twee grote wielen doen in het halfdonker wat griezelig aan. Grote steile uitgesleten trappen voeren tot in de top van het gebouw. De wieken zijn aan een houten ring bevestigd, welke in bedrijf zijnde mee in de rondte draait. Ook hier boven zijn twee grote tandwielen aangebracht, die mede een dikke balk in beweging houden. Deze molen is nog steeds in gebruik. Hij is het eigendom van de Dijkpolder en de molen heeft de opgave om het overtollige water in de polder af te voeren. Sedert drie geslachten beheert de familie De Bruin de molen. Uniek jubileum Mevrouw de Bruin, weduwe van de vroegere molenaar, zal volgende week het feit herdenken dat ze vijftig jaar geleden in deze oude molen kwam wonen. Zij trouwde met de zoon van de toenmalige molenaar, die al op vijftienjarige leeftijd de verzorging van de watermolen op zich had genomen. Vijftig mooie, maar ook zware jaren, heeft zij in het gezellige woon-slaapkamertje in de buik van de oude molen doorgebracht. De grote schoorsteen met de volksmotiefjes, beschilderde tegeltjes, oude kasten, de bedstede met veel koperwerk en de grote geraniums vertellen als het ware nog van de lang vervlogen tijden. Over de eerste eigenaren, de stichting en de geschiedenis kan het molenaarsvrouwtje niet veel zeggen. Zij dacht dat de molen altijd eigendom was van het polderbestuur. De molenaar kreeg voor zijn werk gewoon ’n weekgeld, dat meest te weinig was om van te leven. Hij was dan ook genoodzaakt er als loonarbeider bij de boeren wat bij te verdienen. Toen molenaar De Bruin voor altijd zijn ogen sloot bleef zijn vrouw met vijf kinderen in grote zorg achter. “Mijn oudste was toen twaalf jaar en de jongste twee. We moesten heel wat afploeteren om er te komen”. Het polderbestuur stelde een man aan, die het onderhoud van de molen op zich nam en het werk van de ontwatering leidde. Mevrouw de Bruin mocht met haar kinderen in de molen blijven wonen. “We hadden niet zoveel inkomsten. Als de molen in bedrijf was kwamen zwermen paling enz. bij de molen aan en dit betekende een grote besparing van huishoudgeld”. De kinderen zijn opgegroeid. Een van de zoons heeft met zijn jonge vrouw in het bovenkamertje van de oude molen een gezellig, romantisch, maar minder comfortabel thuis gevonden. De jonge De Bruin denkt het ambt van “molenaar” weer aan zijn naam en hierdoor aan die van zijn vaderen verbinden. Zijn vrouw heeft er niets op tegen en kleine Beppie, het goudharige dochtertje, schijnt zich ook in haar element te voelen tussen de eeuwenoude balken en de reuzenmolenwieken.